/

    • In augustus 2016 bepaalde de rechtbank dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verplicht is uitdrukkelijk te vermelden op het verblijfspasje van een niet-EU burger, die in Nederland verblijft als de partner van een ondernemer die ook niet-EU burger is, dat ook zij het recht heeft arbeid als zelfstandige te verrichten.

      De IND, namens de Staatssecretaris voor Veiligheid en Justitie, stelde hoger beroep in bij de Raad van State tegen deze uitspraak van de rechtbank. De IND gaf toe dat op grond van het EU-recht, zo’n niet-EU-burger het recht heeft om te werken als zelfstandig ondernemer, maar beweerde dat de IND niet verplicht is uitdrukkelijk te vermelden op haar verblijfspasje dat zij dat recht heeft.

      Franssen Advocaten hebben schriftelijke opmerkingen ingediend bij de Raad van State tegen het hoger beroep van de IND. Hierin is ondermeer opgemerkt dat een niet-EU-burger die het recht heeft als zelfstandig ondernemer te werken dat ook duidelijk en voor een ieder moet kunnen aantonen, om te voorkomen dat potentiële klanten met haar niet in zee durven te gaan.

      Op 31 maart heeft de Raad van State het hoger beroep van de IND ongegrond verklaard, waardoor de uitspraak van de rechtbank nu een onomkeerbare bindende werking heeft op de IND.  Te verwachten valt dat de IND zijn beleid zal aanpassen om de arbeidsmarktaantekening ‘Arbeid als zelfstandige toegestaan‘ toe te voegen aan de verblijfspasjes van partners van ondernemers. Toevallig komt deze uitspraak op hetzelfde moment dat de IND een beleidswijziging aankondigt waarbij het recht van houders van bepaalde andere soorten verblijfsvergunningen om als ondernemer te werken uitgebreid wordt.

      Voor meer informatie kunt u contact opnemen met advocaat Jeremy Bierbach .