/
    • Inburgeringsplicht: Gemeente heeft nagelaten rekening te houden met persoonlijke omstandigheden

      24 Jan 2017 | Inburgering Nieuws

    • In de rechtszaak P. en S. , waarin het Hof van Justitie van de Europese Unie op 4 juni 2015 arrest heeft gewezen op de vraag van de Centrale Raad van Beroep of niet-EU-burgers met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (met de aantekening ‘langdurig ingezetene’) verplicht konden worden, op straffe van een boete, het inburgeringsexamen te halen, heeft de CRvB nu einduitspraak gedaan ten aanzien van mevrouw P.

      Ten aanzien van de zaak van mevrouw S. tegen de Gemeente Amstelveen had de CRvB al einduitspraak gedaan, namelijk dat haar hoger beroep niet-ontvankelijk was, aangezien zij als houdster van de nationaliteit van Kroatië inmiddels EU-burger was geworden, dus niet langer inburgeringsplichtig kon zijn.

      Ten aanzien van mevrouw P. had de CRvB de zaak terugverwezen naar de Gemeente Breda met instructies het oorspronkelijke besluit uit 2010, inhoudend dat P. inburgeringsplichtig was, te heroverwegen in het licht van het arrest van het Europees Hof. Het Europees Hof had namelijk onder meer bepaald dat bij het bepalen of een langdurig ingezetene zoals P. inburgeringsplichtig is, altijd rekening moet worden gehouden met de persoonlijke financiële en medische omstandigheden van de betrokkene.

      De Nederlandse Wet inburgering, op basis waarvan de Gemeente Breda bepaald had dat P. inburgeringsplichtig was, biedt hiervoor onvoldoende ruimte door te bepalen dat het aan een betrokkene zelf is een ontheffing aan te vragen. Een ontheffing om financiële redenen wordt alleen verleend als de inburgeringsplichtige minder dan het minimuminkomen verdient, en een ontheffing om medische redenen wordt alleen verleend naar aanleiding van een onderzoek door een door de gemeente aangewezen arts.

      P. stelde zich op het standpunt dat zij en haar Nederlandse vrouw net geen minima zijn, maar dat de kosten van een inburgeringscursus en het inburgeringsexamen toch ondraagbaar zouden zijn gezien hun financiële situatie. Verder stelde P. zich op het standpunt dat zij al in 2010 ruimschoots bewijs had geleverd aan de gemeente van haar eigen behandelende artsen dat zij aan verschillende psychiatrische stoornissen lijdt, waaronder paniekaanvallen en borderline, waardoor het gedwongen worden te voldoen aan de inburgeringsplicht extreem traumatisch zou zijn en haar conditie zou doen verslechteren; zij had er verder geen vertrouwen in dat een door de gemeente aangewezen arts haar situatie objectief zou beoordelen.

      De gemeente heeft op 29 augustus 2016 haar besluit op P.’s oorspronkelijke bezwaarschrift heroverwogen in het licht van de instructies van de CRvB en op grond van dit laatste argument het bezwaarschrift alsnog gegrond verklaard: P. kan niet inburgeringsplichtig zijn, waardoor het oorspronkelijke besluit tot vaststelling van een termijn te voldoen aan de inburgeringsplicht onrechtmatig is. Op 20 januari 2017 heeft de Centrale Raad van Beroep hieruit de conclusies getrokken dat ook het hoger beroep van P. gegrond dient te worden verklaard, de uitspraak van de Rechtbank Breda (dat P.’s oorspronkelijke beroep niet-ontvankelijk was) vernietigd dient te worden, en dat de gemeente alle proceskosten van P., begroot op €6.008,81, alsmede de door haar betaalde griffierechten aan haar dient te vergoeden.

      Voor meer informatie over deze zaak kunt u contact opnemen met P.’s advocaat Jeremy Bierbach.